Grosso modo bereikte de Sint-Dionysiuskerk haar huidige omvang en aanblik na een drastische verbouwing naar eenheidsplan in 1767. Het grondplan bevat de westtoren met noordelijke trapkoker en zuidelijke doopkapel, een driebeukige pseudo-basilicale kerk van drie traveeën met ondiepe transeptarmen en een koor van een travee met driezijdige koorsluiting. Ten noorden van het koor bevindt zich de sacristie en ten zuiden een bergplaats. De kerk is georiënteerd met een kleine noordwaartse afwijking. Afgaand op de kaart van Horenbault van het Land van Aalst uit 1596 bestond de toenmalige kerk uit een vierkante toren met slanke spits, een enkelvoudige romaanse of vroeggotische beuk met ondiepe noordelijke transeptarm en een gotisch koor. De oudste gedeelten van de huidige kerk gaan terug tot de 13de eeuw. De toren heeft een basis van Doornikse steen (13de eeuw) en een met hoekfrijten geflankeerde vierkante romp uit baksteen (16de eeuw). Het noordtransept uit Balegemse kalkzandsteen met sporadische verwerking van ijzerzandsteen en Romeinse dakpannen, stamt in de kern uit het einde van de 13de of het begin van de 14de eeuw.
Kraagsteen:
De aanleg van het hoogkoor op een plint van Balegemse steen is gotisch en dateert uit de 15de eeuw. Bij een herstelling met zand- en baksteen in de 17de eeuw werd in de zuidelijke steunbeer een merkwaardige kraagsteen met lachend gezicht uit de 13de of 14de eeuw ingemetseld.
Calvarie:
Tegen het dichtgemetselde koorvenster werd een overluifelde calvarie met een geschilderde houten beeldengroep (eind 16de, begin 17de eeuw) bevestigd. De beelden van Onze-Lieve-Vrouw en SintJan Evangelist zijn in 1975 gestolen, dat van Christus op 9 juni 1984 zodat, een gesmede nagel en een stukje hout uitgezonderd, enkel het kruis op de gesculpteerde balk met doodskoppen resteert. De bepleisterde en beschilderde achtergrond bood een vergezicht op Jeruzalem maar werd in 1965 overschilderd.
Waterkersgrachten:
Waterkers is een geslacht van kruidachtige planten uit de kruisbloemenfamilie. Het is een plant die het hele jaar door groen blijft en nooit erg hoog wordt. De plant heeft holle stengels en lange wortels, die houden van fris en zuiver stromend water. Tussen mei en september vormen er zich witte kleine bloemetjes. Het blad is pittig smakend en brandt lichtjes op de tong; een soort van peperachtige mosterdsmaak. Waterkers groeit in het wild op een natte ondergrond bij moerassen en stromende beekjes. Waterkers is vermoedelijk afkomstig uit het Middelandse zeegebied. De oude Grieken wisten het al: waterkers is een van de meest bijzondere planten met een weldadig effect op de gezondheid, kortom geneeskrachtig. Hippocrates, Griekse arts en grondlegger van de geneeskunde uit het Oude Griekenland, beval waterkers aan als slijmoplossend middel. Hij liet zelf een verzorgingshuis bouwen naast bronnen waar waterkers groeide. Waterkers werd door de oude Grieken ook beschouwd als opwekkend middel. De oude Perzen zagen de witte waterkers als extra energieopwekkend middel en namen het in als ze grote inspanningen moesten verrichten. De Perzen gaven waterkers aan de kinderen om een gezonde groei te stimuleren. Deze wijsheid van de Perzen is opgeschreven door de oude Griek Xenophon. Dioscorides was een Griek die in de eerste eeuw leefde en als geneesheer werkte voor de Romeinen. Hij beval waterkers aan als afrodisiac. De Romeinen begonnen ermee om waterkers niet alleen als geneeskruid te zien; men gebruikte het velevuldig in de keuken. Zij verwerkten waterkers graag in salades. Waterkers wordt reeds duizenden jaren geprezen voor zijn uitzonderlijke zuiverende en gezondheid bevorderende werking. Elk jaar opnieuw moeten alle oude planten (de moederplanten) eruit en moet er opnieuw ingezaaid worden en dat kan enkel manueel. In die periode (meestal januari en februari) liggen de grachten droog en wordt het water afgeleid. Het zaad komt van de oude planten die men heeft laten 'opschieten'. Deze planten laat men eerst drogen en dan kan het zaad geoogst worden. In maart wordt gestart met het zaaien van nieuw zaaigoed. De gezaaide waterkers wordt na een zevenweken manueel uitgedund en overgeplant in andere bakken en na 2 maanden kan er opnieuw geoogst worden. Waterkers kan tot 8x per jaar worden geoogst. Het betreft immers een doorlevende plant die zich na de oogst herstelt en opnieuw begint te groeien. Het waterkersseizoen begint in maart en duurt tot diep in november.
Fonteinstraat:
een “Fontein” (bron) voedt de waterkersgrachten en de vijvers van het kasteelpark.
Kasteel:
Oorspronkelijk had Roborst een mottekasteel (op de zogenaamde tumulus). In de 15de eeuw bouwde de toenmalige heer van Vaernewyck het zogenaamde “zeventorenkasteel”. Het werd verwoest in 1792. Er bleef nog slechts één toren over. Het gaat om een bakstenen ronde traptoren met puntdak uit de 16e eeuw. De onderbouw van de toren en enkele kelders, in de volksmond “het duivelsgat” genoemd, geeft het vroegere niveau aan van de begane grond die toen veel lager was. Op een figuratieve kaart uit de 17de eeuw wordt het toenmalige kasteel voorgesteld met vier vleugels op vierkant grondplan, met op elke hoek een toren en omwald. Daarnaast een neerhof en een poortgebouw met twee torens. Volgens de overlevering zou het gebouw echter zeven torens hebben gehad. In 1799 liet Marie-Charlotte Van de Woestijne, vrouwe van Roborst, op het domein een landhuis optrekken naar het voorbeeld van ‘La Bagatelle’ uit het Bois de Boulogne te Parijs. Symmetrie is het grote kenmerk van dit neoclassicistische slot. De witwarmeren Korintische zuilen in de hall komen uit de abdij van Ename (Oudenaarde). Het kasteel en ook de oude toren zijn gelegen in een prachtige landschapstuin met grote vijvers, die gevoed worden door dezelfde bronnen die de waterkersteelt te Roborst mogelijk maken. De dienstgebouwen staan op de plaats van het oorspronkelijk neerhof.
Tumulus:
Deze aarden verhoging, in de volksmond tumulus genoemd met de Romeinse aanwezigheid in Velzeke in gedachten, is de oorspronkelijke castrale motte met stenen toren van de familie van der Gracht, heren van Roborst. Archeologisch onderzoek moest uitwijzen of het een Gallo-Romeinse grafheuvel of tumulus was zoals in de volksmond gezegd werd. Tijdens de opgravingen brak de haspel en viel de emmer of bak om het zand naar boven te halen uit de schacht op één van de archeologen. Om die reden werd de opgraving